Het industrieel Atrium |Connecting industrial history

Kenniscentrum voor industrieel erfgoed |Documentatie, Informatie, Expositie

Obragas

Anderhalve eeuw verlichting en gasgebruik in Helmond (ca. 1850-2000). Van plaatselijke gasfabriek tot regionaal energiedistriebutiebedrijf.

Door duisternis misleid

Ruim een eeuw geleden verschenen de eerste kranten in Helmond. Het plaatselijke nieuws bestond toen ook al voor een groot deel uit diefstallen, rampen en ongelukken. Een regelmatig terugkerend bericht betrof verdronken personen die door duisternis misleid in een van de vele waterlopen in Helmond of het kanaal terecht waren gekomen. Het is in onze eeuw van verlichting bijna onvoorstelbaar hoe zoiets kon gebeuren. Maar 125 jaar geleden heerste er ‘s avonds en ‘s nachts vrijwel absolute duisternis als de maan niet meewerkte of er niet was. Vooral in de buitengebieden zag je amper een hand voor je ogen. In de stad was het iets beter, maar niet veel. Daar hadden de mensen nog tot op zekere hoogte profijt van de openbare gasverlichting. Die bestond in Helmond sinds 1862. Deze tentoonstelling is gewijd aan de geschiedenis van de gasfabriek: van een beperkte plaatselijke voorziening voor openbare verlichting en daarnaast voor welgestelden en bedrijven tot een regionaal nutsbedrijf.

Een verlichte kerst!

Begin 19e eeuw was het met de openbare verlichting in het stadje Helmond maar mager gesteld. Er waren slechts twaalf straatlantaarns, die alleen ‘s winters, bij absolute duisternis werden aangestoken (ja, de gemeente was zuinig!). Ze bleven dan tot elf uur ’s nachts branden, dan was het mooi geweest: bijna iedereen lag dan te bed. De lantaarns brandden op olie. Dat gaf niet alleen een slecht licht maar ook veel walm en roet. Juist in die tijd ontwikkelde zich in Groot-Brittannië een nieuwe wijze van verlichting, met behulp van gas gestookt uit steenkolen. Britse bedrijven zetten ook op het continent gasfabrieken op, onder meer in Rotterdam. Daar verrees in 1827 de eerste steenkoolgasfabriek in Nederland. De verbreiding van het nieuwe procédé verliep in het begin langzaam, mede omdat het technisch nog weinig ontwikkeld was. In 1847 liet de gemeente Leiden de eerste gemeentelijke gasfabriek bouwen. Kort daarna begon de victorie. Tussen 1850 en 1860 werden in Nederland 49 gasfabrieken opgericht, waarvan 8 gemeentelijke. Er waren nogal wat particuliere ondernemingen dus actief in deze nieuwe business. Deze probeerden de gemeentebesturen te verleiden om met hen een ‘voordelig’ contract af te sluiten. Maar ook grote bedrijven waren geïnteresseerd in een eigen verlichtingsbedrijfje. Zo beschikte in Helmond de katoendrukkerij van Van Vlissingen al sinds 1856 over een eigen, kleine gasfabriek. De gaslampen gaven heel wat beter licht dan die walmende, veel brandgevaarlijkere olielampen!

In 1853 kregen de bestuurderen van Helmond al een eerste aanvraag van een particulier bedrijf voor een concessie voor de bouw, inrichting en exploitatie van een gasfabriek binnen de gemeente. De aandrang werd na verloop van tijd steeds groter en ook bij de inwoners ontstond steeds meer animo. Na het nodige beraad besloot de raad om het gasbedrijf in eigen handen te nemen. Er werd een deskundige in de arm genomen om opzet en plannen te maken. Eind april 1862 vond de aanbesteding plaats. De twee plaatselijke aannemers grepen daarbij mis. En zo gebeurde het dat midden in de donkerste periode van het jaar de Helmonders voor het eerst kennis konden nemen van dit wondere nieuwe licht. Op 24 december 1862 brandden voor het eerst in de Helmondse straten gaslantaarns!

Uitbreiding

Helmond baadde zeker niet meteen in een zee van licht. Het aantal straatlantaarns breidde zich wel uit. Maar ook de stad groeide. De lantaarns werden slechts beperkt gebruikt. Goede verlichting was belangrijk, maar wel met mate! De 70 straatlantaarns in 1875 brandden in de regel van 2 dagen na volle maan tot 2 dagen voor het eerste kwartier van de maan. De brandtijd was beperkt tot negen maanden, de periode van augustus tot mei, en wel van de tijd dat het donker werd tot circa 11 uur, des zondags tot 12 uur. In 1886 besloot de raad om op 6 punten in de stad de gaslantaarns snachts door te laten branden. Ook de petroleumlantaarns aan de brug op het Hout (over de Goorloop) zou men snachts laten branden. Want buiten de bebouwde kom had de gemeente nog petroleumlantaarns in gebruik. Goede ogen en een scherpe blik waren dan nog nodig om de weg goed te kunnen volgen: tussen de Steenweg tot op het Hout waren er slechts 9 petroleumlantaarns! Verder werd gas inmiddels druk gebruikt door particulieren. Dat wil zeggen, de welgestelden én de bedrijven in het centrum beschikten over een gasaansluiting. Aanleg van leidingen was een kostbare zaak. Bewoners en bedrijven buiten het centrum verkregen pas aansluiting als ze zelf (mee)betaalden. Het gas werd de eerste twintig jaar bijna uitsluitend voor verlichting gebruikt. Pas later kwam het voor verwarming en voor beweegkracht in zwang. In 1882 werd de eerste gasmotor geïnstalleerd, bij de drukkerij van Pellemans. De gasfabriek groeide ondertussen met het toenemende gebruik en met de groei van de stad mee. De afzet nam voortdurend toe. In 1877 kwam een derde gashouder, geleverd door de pas opgerichte machinefabriek van Begemann ter plaatse. De personeelsomvang bleef bescheiden, in 1887 werkten er 12 man personeel, naast (of onder) de directeur.

Gas voor iedereen

In 1912 vierde men het vijftigjarige bestaansfeest van het gemeentelijke gasbedrijf. Dat was in de loop van de tijd er flink op vooruit gegaan. De gasproductie was gestegen van 51.675 m³ tot 1.365.190 m³. De grootste stijging had de afgelopen vijftien jaar plaatsgevonden. Het bedrijfscomplex en de inrichting waren regelmatig uitgebreid en gemoderniseerd. Zo waren in 1896 en in 1901 twee grote nieuwe gashouders verrezen, met 1600 respectievelijk 4000 m³ opslagcapaciteit. In 1901 en 1910 waren nieuwe kolenloodsen, een kantoor en stokerij gebouwd. Ook het buizennet kende een vrijwel voortdurende groei. In het totaal lag er in 1912 zo’n 15 km aan buisleiding.

Een stimulans voor de afzet was de invoering van muntmeters. In 1896 waren de eerste geïnstalleerd. Particulieren konden door muntgeld of gasmunten in te werpen gas afnemen. Deze voorziening maakte het gebruik van gas ook voor minder draagkrachtigen interessant. Huurhuizen werden extra voorzien van een dergelijke meter, wat ze aantrekkelijker maakte. Tussen 1900 en 1910 verdrievoudigde het aantal muntmeters. De afname via muntmeters bedroeg in 1912 bijna 15% van de totale afzet. Bijna driekwart van de afzet ging naar ‘gewone’ particuliere afnemers, met een telmeter zoals we die nu nog kennen. De publieke verlichting was nog goed voor 7 à 10 %. Die openbare verlichting was ondertussen een stuk uitgebreider geworden en gaf ook langer licht. De gemeentelijke verlichting telde in 1912 233 lantaarns, waarvan 80 ook voor nachtverlichting dienden. De afzet bij fabrieken was vrijwel verwaarloosbaar, met een 2%. Er waren wel in het midden- en kleinbedrijf gasmotoren, maar hun aantal en hun vermogen was beperkt. In 1900 lag het gasverbruik per inwoner in Helmond met 58,1 m³ iets boven dat van Tilburg en Den Bosch, maar beneden bijvoorbeeld dat van Breda. Het rendement van de fabriek was zeer positief. Voor de gemeente was het inmiddels een aardige bron van inkomsten geworden. Niet alleen de levering van gas en andere diensten bracht geld in de gemeentekassa, ook de opbrengst van de verkoop van bijprodukten, met name cokes, werd steeds interessanter.

Overschakeling

De Eerste Wereldoorlog had op langere en kortere termijn behoorlijk wat invloed op de verdere ontwikkeling van het gasbedrijf. De productie kwam ernstig in de problemen, vooral door het gebrek aan kolen. De distributie daarvan kwam in de handen van de Rijksoverheid. Deze gaf de voorkeur bij de toewijzing aan elektriciteitscentrales, zodat deze concurrent het gasbedrijf voorbij kon streven. In Helmond was de productie in 1917 ruim eenderde lager dan in het vooroorlogse topjaar, 1913. Door prijsverhogingen van het gas en de hogere opbrengsten van de restproducten was het bedrijfsresultaat echter niet negatief.

De periode na de oorlog bracht aanvankelijk herstel, maar de neergaande tendens was niet te stuiten. In 1920 bereikte de gasproductie in Nederland een absoluut hoogtepunt, om daarna langzaam te dalen. Het onderhouden van een eigen productiebedrijf werd steeds minder aantrekkelijk. Een aanlokkelijk alternatief bood zich eind jaren twintig aan. Toen nam de Staatsmijnen de ‘export’ van haar cokesovengas ter hand. Er kwam een transportleiding naar Eindhoven en in 1934 haakte ook Helmond daar op aan. Het eigen productiebedrijf werd stopgezet; het gemeentelijk gasbedrijf was van nu af aan distributiebedrijf. Het belangrijkste kapitaal vormde al langer het uitgebreide leidingennet, dat zij in eigendom en beheer had. Het bedrijf verrichte verder de administratie, verzorgde inkoop, opslag en distributie.

De Tweede Wereldoorlog gaf soortgelijke problemen als de Eerste. Maar nu was men afhankelijk van de leveranties vanuit de Staatsmijnen en kon men niet langer zelf voor de brandstofvoorziening zorgen. Wel werd de levering van generatorgas ter hand genomen. Dit diende als alternatieve brandstof voor automobielen. Hiervoor werd een Coöperatieve Vereniging Gastankstation opgericht. Na de bevrijding ging het voorlopig alsmaar bergopwaarts met de afzet. Het aantal aansluitingen nam fors toe en ook het leidingennet werd steeds uitgebreider. Dat verdubbelde welhaast tussen 1940 en 1960, van 41 km tot ruim 81 km. Dit niet alleen als gevolg van de groei van de stad, maar ook omdat omliggende gemeenten op het Helmondse net worden aangesloten: Lieshout, Aarle-Rixtel en Mierlo. Aan het gebruik van muntgasmeters komt in 1954 een einde. Voor de berging van de steeds groeiende hoeveelheid gas kwam in 1957 een nieuwe gashouder van 30.000 (max. capaciteit: 50.000) m³ in gebruik; een investering van ruim ƒ1 miljoen.

Obragas

In 1963 vindt de oprichting van de NV Obragas plaats. Deze treedt op als een soort holding van een aantal gemeenten in Oost-Brabant (vandaar de naam). Ze is bedoeld om gemeenschappelijk de distributie van gas in de deelnemende gemeenten te verzorgen. De gemeente Helmond treedt pas later toe. Wel fungeert het gemeentelijk gasbedrijf als facilitair bedrijf van en voor de nieuwe nv, die zijn hoofdkantoor dan ook in Helmond krijgt. De directeur van de Helmondse gasfabriek bekleedt dezelfde functie bij Obragas.

De omschakeling op aardgas is in die jaren dan de belangrijkste uitdaging. In 1964 starten in Helmond al de voorbereidingen. Daartoe behoort ook een actieve voorlichting. Eind 1967 vindt de officiële opening plaats van het plaatselijke Aardgas-Voorlichtingscentrum. Enkele maanden later wordt het laatste mijngas uit de gashouder gehaald om plaats te maken voor aardgas. De hele omschakelingsoperatie is een gigantische klus. De centrale winning van het aardgas gebeurt door de NAM, de landelijke distributie vindt vanuit de Gasunie plaats. Obragas is dan vooral een doorgeefluik.

In 1970 treedt de gemeente Helmond formeel als 24e aandeelhouder toe. Per 1 januari 1971 gaan de medewerkers van het gemeentelijk gasbedrijf over in dienst van Obragas. Op 22 april 1971 wordt de grote gashouder afgesloten. Obragas krijgt nu een samenhangend, groot werkgebied. De huisvesting van de centrale administratie vraagt om een nieuw kantoorgebouw. Dat komt in 1974 gereed. Obragas telt dan 65.000 aansluitingen. Deze schaalvergroting past bij een landelijke trend. Het aantal gasdistributiebedrijven neemt na 1965, de komst van het aardgas, gestadig af.

Obragas: een regionaal nutsbedrijf onder Duitse vlag in een internationale concurrentiestrijd

Helmond was dus, wat betreft de gasvoorziening, sinds 1970 onderdeel van een groter verband. Daarbij was het wel de grootste deelnemer. Van de ruim 47.000 aansluitingen eind 1970 lagen er ruim 14.000 op Helmonds grondgebied. Niet iedereen trouwens binnen de grenzen van het met Stiphout, Mierlo-Hout en Brouwhuis vergrote Helmond was aangesloten op het aardgasnet. In 1974 volgde bijvoorbeeld Brouwhuis pas. Hiervoor moest een zinker onder de Aa aangebracht worden. Het leidingenbeheer vroeg trouwens de nodige aandacht. De hoofdleidingen voor het aardgastransport waren van staal en stonden onder hoge druk. Om ze te beschermen tegen de ondergrondse, veelal zure invloeden werden ze voorzien van zogeheten kathodische bescherming. Dit soort technisch werk werd door Obragas, mede dankzij de schaalvergroting, in eigen beheer gedaan. Ook de controle van de gasmeters maar ook het ontwerp en de fabricage van de meet- en regelinstallaties geschiedde in eigen bedrijf. Nieuwe werkplaatsen en een behoorlijk magazijn waren dan ook hard nodig. Tot begin jaren ‘70 waren de oude gebouwen van de Helmondse gasfabriek het belangrijkste onderkomen. Naast het nieuwe kantoor kon in 1976 een nieuw magazijn in gebruik genomen worden. In 1984 kon een nog vrij nieuw deel van de fabriek van Diddens & Van Asten aangekocht worden, de huidige Carnegiehal. Het aantal aansluitingen groeide ondertussen maar door, mede dankzij diverse overnames. In 1988 werd het NV Gasbedrijf Peelland, met Deurne als zetel, aangekocht. In 1985 kon de 100.000ste gasaansluiting gerealiseerd worden, vijf jaar later zat men al op de 150.000!

Daarnaast werden ook diverse, verwante activiteiten ontplooid. Zo richtte men samen met de PNEM in 1980 de NV WAMOB op die in de verwarmingsbehoefte en tapwatervoorziening van de nieuwe oostelijke woonwijken van Helmond moest voorzien. Verder werd voor een aantal gemeenten de administratie van andere nutsvoorzieningen verzorgd. Naast het technisch beheer was dus ook het administratief beheer van groot belang. De eerste directeur van Obragas kreeg zijn loon/salaris nog contant in een loonzakje. En zo betaalden rond 1965 veel klanten nog contant de gasrekening. Boekhoudmachines, ponskaartapparatuur en tenslotte computers deden vervolgens hun intrede, terwijl steeds meer klanten hun rekening via automatische afschrijving regelden. Een andere nieuwe taak was de voorlichting, ook van de individuele gebruiker. Daarbij kwamen zuinigheid en energiebesparing steeds centraler te staan. Deze taak en de grotere klantgerichtheid vertaalden zich in de oprichting in 1986 van het Energiehuis, samen met de PNEM.RWE/OBRAGAS

De aandacht voor de individuele klant is er anno 2004 nog steeds, maar onder hele andere omstandigheden. De energiemarkt in Nederland was tot voor kort in handen van een aantal vaste, regionaal gebonden, bedrijven. Daarbij was er amper sprake van concurrentie. Het recente rijksoverheidsbeleid is gericht op het vrijmaken van die markt, de zogeheten liberalisering. Na de elektriciteitsbedrijven krijgen met ingang van juli van dit jaar ook de consumenten vrije keuze in hun gasleverancier. Of dit de efficiency zal vergroten en de prijzen zal verlagen is nog maar de vraag. De eventuele nieuwe leverancier moet om bij u thuis het gas af te leveren wel gebruik maken van het net ter plaatse. Daarvoor is weer een aparte administratie vereist waarbij vergoedingen gelden. Storingen moeten toch ook ter plaatse opgelost worden: uw mogelijke leverancier in Rotterdam of nog verder weg zal dan een beroep doen op zijn collega’s in de regio. In 1862 koos de gemeenteraad van Helmond, als een van de eersten in het land, er voor om de gasvoorziening in eigen openbare hand te houden. Dit voorbeeld is vervolgens bij de overgrote meerderheid van de gasbedrijven gevolgd. Er waren grote klachten over de particuliere bedrijven: slechte kwaliteit en service bij een hoog prijspeil. Of deze trend zich de komende tijden gaat herhalen? Obragas is inmiddels sinds juli 2002 onderdeel van een groot, oorspronkelijk Duits energiebedrijf, RWE. De gemeente Helmond heeft aan de verkoop van zijn aandelenpakket een aardige spaarcent overgehouden, waar dan tegenover staat dat ze de dividenduitkering moet missen. De openbare zeggenschap over het bedrijf is aldus formeel ten einde. Maar een openbare voorziening blijft natuurlijk een zaak van iedereen, waarvan Obragas zich uiteraard bewust is. Het worden spannende tijden de komende jaren. Ook op het gebied van huisvesting: zal Obragas op de huidige lokatie blijven of neemt de gemeente het terrein en de opstallen over? Dan koopt de gemeente in ieder geval een eigen stuk industrieel verleden terug, in de vorm van een vermoedelijk fikse bodemverontreiniging. Het verleden kan, hoe dan ook, niet genegeerd worden!

De toepassingen van het gas: van licht tot kracht, van koken tot stoken

Aanvankelijk werd het gas vrijwel uitsluitend gebruikt voor verlichtingsdoeleinden. Zowel bij particulieren thuis waren er gaslampen, op straat brandden de gaslantaarns. Dat wil zeggen als ze op tijd handmatig door de opsteker aangestoken waren. Wat dat betreft veranderde er niet veel: de bediening van de openbare verlichting gebeurde nog handmatig. Later kwamen er een soort wekkerklok en een afstandsbediening om onderdruk de lampen aan te steken. Vanaf circa 1880 kwam daar een niet onbelangrijke tweede toepassing bij, de gasmotor. Deze bood een interessante mogelijkheid om het gas ook overdag af te zetten. Een vroege toepassing voor andersoortig industrieel én huishoudelijk gebruik vormt het gasstrijkijzer. Daarnaast kwam in dezelfde periode, rond 1910, nog het gasfornuis. Het gebruik voor verlichting kreeg eind 19e eeuw een extra impuls door de komst van het gloeikousje. Dit gaf een veel beter licht met een langere brandduur.

Maar vanaf circa 1920 zou de elektrische verlichting de gasverlichting verdringen. Deze bood de mogelijkheid om sterk uiteenlopende lichtsterkten te gebruiken en had verder als voordeel een relatief geringe warmteontwikkeling. Het gasbedrijf richtte zich toen nog nadrukkelijker op de toepassingen voor verwarming en koken. In 1938 was landelijk slechts nog 2% van de gasafzet voor verlichting tegen 71% voor warmwater toepassingen, zoals bad en douche. Verder was het industrieel gebruik niet onbelangrijk (bijna 20%): met name in bakkerijen (gasovens) en bij het lassen, moffelen en emailleren vond gas toepassing.

Na 1945 zou de nadruk op koken en verwarmen alleen nog maar sterker worden. Huurgeisers waren een middel om dit te bevorderen. Met de komst van het aardgas werd het koken op gas definitief hét systeem in de Nederlandse keuken. Ook voor verwarmingsdoeleinden is de gas gestookte cv-ketel de afgelopen tientallen jaren toonaangevend geweest.