Het industrieel Atrium |Connecting industrial history

Kenniscentrum voor industrieel erfgoed |Documentatie, Informatie, Expositie

De tentoonstelling over ' Drukkerij/ Uitgeverij Helmond en de Kwartjesboeken' is afgelopen zondag 23 april geopend tijden de Speciale Open Dag bij het Industrieel Atrium. Het was een groot succes en er waren veel bezoekers.

Een van hen was de heer Chris Schriks. Hij werkte wel 12 jaar bij Drukkerij/ Uitgeverij Helmond en heeft altijd een zwak gehouden voor de Kwartjesboeken. Voorafgaand aan de opening sprak hij een select gezelschap toe in de filmzaal van het Industrieel Atrium over zijn ervaringen bij Drukkerij Helmond en zijn ontmoetingen met de Kwartjesboeken. Ook schreef hij begin dit jaar een prachtig artikel over de geschiedenis van Drukkerij Helmond en de Kwartjesboeken. Dat artikel mogen we ter gelegeheid van de Tentoonstelling hier op onze website publiceren.

Tekst van Chris Schriks – Veldesebosweg 22 – 7231 DW Warnsveld – 0575-520545 – cfj.schriks@planet.nl

Deze tekst mag onder voorwaarden worden gebruikt voor publicatie in een nieuws- of huis-aan-huis-blad onder respectering van de auteursrechten. Dus geen verkorting of wijziging zonder toestemming. Nadere informatie over het honorarium gewenst. Eventuele opbrengst bestemd voor Het Industrieel Atrium. Eventuele illustraties te verzorgen door Kenniscentrum Industrieel Erfgoed (Het Atrium).

Van het ‘verlichte’ Oosten naar het ‘donkere Zuiden’ en andersom

Een Helmondse echo uit Zutphen

Drukkerij en uitgeverij Helmond

Na het teloorgaan van oude en befaamde industrieën in textiel en metaal, van handwerktechnieken en van drukkerijen in Helmond, herleefde het verleden in de Stichting Industriëel Erfgoed, het Atrium. Het Stadsbestuur, het Museum, het Streekarchief, de culturele verenigingen en de burgerij, waaronder ook degenen die als ‘fabrieksarbeider’ te vinden waren op de loonlijsten van de bedrijven, bekommerden zich om wat verloren was. Zij keken terug naar de verleden tijd die in de hoofden van veel Helmonders leefde.

Dat was ook het geval met het verdwijnen van Drukkerij en Uitgeverij Helmond, het bedrijf dat in 1983 failliet ging. Het was een trots bedrijf geweest, waar in de goede jaren zo’n 200 employees verbonden waren: handzetters, machinezetters, fotozetters, opmakers in lood en via electronica, layoutmen, stypeurs, hoogdrukkers, vlakdrukkers en rotatiedrukkers, binders, naaisters, magazijnmeesters, krantenbezorgers, vertegenwoordigers, kantoorpersoneel, redacteuren, uitgeverij-personeel, correctoren en schoonmaaksters. Een bonte verzameling mannen en vrouwen, jongens en meisjes, die samen een gemeenschap vormden.

Niet alleen verdween een bedrijf uit het stadsbeeld, ook verdween een intellectueel bastion uit Oost-Brabant, waar niet alleen boeken – fictie en non-fictie – en tijdschriften verschenen, schoolboeken werden uitgegeven, waar een Jeugdbibliotheek had bestaan, waar een schoolblad werd gedrukt, een filmblad, een jeugdblad, een progessief weekblad, een dagblad, een advertentieblad en een Esperanto-blad. Een bedrijf waar recalcitrante geesten toegang hadden, dichters, politici, intellectuelen. Soms links, soms conservatief, soms opstandig, maar er was altijd leven in de brouwerij.

Failliet. Wat was de oorzaak? Zeker, de grote revolutie in de grafische bedrijfstak met de verdwijning van de klassieke boekdruk, de hoogdruk. Met de opkomst van offset, electronica en digitalisering, met de micro-elektronica, de elektronische pagina-opmaak, waarbij tekst en beeld elektronisch werden gevormd tot complete pagina’s in meer kleuren en er behoefte was aan snelle en stille meerkleuren drukpersen waarop dunne aluminium beelddragers konden worden bevestigd.

Het was fascinerend, maar ook traumatisch want in het hele land gingen oude grafici gebukt onder de dwang tot omscholing. Hetgeen ook gold voor hun patroons die de nieuwe technieken trachtten te doorgronden. De concurrentie, zowel in het binnen- als buitenland nam toe, hetgeen gepaard ging met het verlies van cruciale orders omdat het bedrijf niet langer kon concurreren met meer geavanceerde bedrijven. Frustraties waren de oorzaak van een hoog ziekteverzuim. Het ging om survival of the fittest, maar het bedrijf zelf was ook ziek. Wat ontbraken was een visie op een toekomst die nog onoverzichtelijk was en het vermogen om tijdig bakens te verzetten.

Voor Boekdrukkerij en Uitgeverij Helmond was het vechten tegen de bierkaai.

Het verloren gegane geheugen

Toen het faillissement werd uitgesproken moesten de gebouwen leeg. Machines en apparatuur werden geveild en het gebouw, nog betrekkelijk nieuw, moest worden verkocht.

En daar kwamen de containers. Wie schrijft blijft, luidt het gezegde. Maar er bleef niet veel. De archieven van het dagblad De Zuid-Willemsvaart, de Helmondse Courant, het weekblad De Nieuwe Eeuw, Het Katholiek Schoolblad, het kleuterblad Onze Krant, De Nieuwe Film en het Esperanto-tijdschrift werden vermalen tot pulp. Zoals ook gebeurde met ingezonden brieven, niet gepubliceerde artikelen, tekeningen, foto’s, clichés, declaraties, personalia, jaarstukken, jaarverslagen, financiële stukken, calculaties voor drukwerkrelaties en het reclame-, handels- en verenigingsdrukwerk. Hetzelfde gebeurde met het archief van de uitgeverij: handgeschreven en getypte manuscripten, auteurscontracten, honoraria- berekeningen, oplagecijfers, correspondentie met auteurs, prospectussen, het archief van de Jeugdbibliotheek, van de reeks wetenschappelijke en populair-wetenschappelijke werken, van de schoolboekenseries, jeugdreeksen, kleuterreeks, bijbelseries, stripboeken, etcetera.

Pas later realiseerde men zich de waarde van hetgeen voor immer verloren ging: het geheugen van bijna een eeuw druk- en uitgeefcultuur, dat voor de geschiedschrijving van Oost-Brabant van grote betekenis had kunnen zijn.

Toen er meer zicht kwam op de consequenties van de vernietiging, verzamelden archivarissen en geïnteresseerde burgers, een nog ongeordende hoeveelheid puzzelstukjes die uit tientallen bronnen werden vergaard. Met al die brokstukken en snippers in de hand keken Helmonders elkaar aan. Dit was hun verleden. Ze waren trots toen de puzzel nog compleet was. Nu werden de puzzelstrukjes relikwieën die bewaard moesten blijven. Het werd ‘cultureel erfgoed’ waardoor een deel van dat verleden als een phoenix uit zijn as verrees.

De Stichting Atrium, het Streekarchivariaat, de archivaris die de historie van Helmond kende, dr. Giel van Hooff, zijn medewerkers, verzamelaars, fotografen, vrijwilligers, ze kropen bij elkaar en zochten de verbanden tussen de puzzelstukjes en wat ontbrak werd ingekleurd, zodat een overzichtelijk beeld ontstond. Er verschenen tientallen publicaties waarin de puzzelstukjes werden toegelicht.

Kwartjesboeken

Er kwam een Mediagroep die zich bezighield met het opnemen van interviews, die documentaires maakte van het verleden, die het slinkend aantal getuigen over ‘hoe het vroeger ging’ nog wilde horen. Hun pad leidde ook naar Zutphen.

Men herinnerde zich de ‘kwartjesboeken’ van weleer. De kwartjesboeken van Boekdrukkerij Helmond waarvan G.J.H. Hendriks eigenaar en directeur was. Ach ja, die kwartjesboeken, hoe zat dat ook weer? Giel van Hooff wees naar Zutphen. Daar, bij de Walburg Pers, kon men wellicht wijzer worden. Er was enige verbazing. Wat had Helmond in Zutphen te zoeken als het ging om het eigen erfgoed.

Er was nog een half dozijn personen dat op een of andere wijze verbonden was met de kwartjesboeken. In de eerste plaats Joop Bekkers te Druten die een studie had gemaakt van het fenomeen kwartjesboeken, dan Eef Nulde die een complete verzameling bezat, en Hein Leenen die ook verzameld had, beiden te Zutphen. Dan was er Pien Pon, die betrokken was bij de Stichting Kinderboek Cultuurbezit (Stichting ’t Oude Kinderboek), waarvan de verzameling jeugdboeken in Zutphen en in Winsum waren opgeslagen. Ook zij was betrokken bij het initiatief om in Zutphen een expositie te organiseren van de jeugdboeken van ‘Helmond’. Hillechien Kuiper stelde een catalogus samen van de kwartjesboeken en tenslotte was er nog de auteur van dit verhaal die in juli 1946 nog stapels kwartjesboeken ontdekte bij ‘Helmond’.

De Mediagroep bracht een bezoek aan de Walburg Pers voor een gefilmd interview. Daar hoorde het kwartet, wat zich rond de kwartjesboeken 85 jaar geleden in Helmond had afgespeeld.

De aanleiding

De reden waarom ik aan het begin van dit millenium terug wilde naar de eerste helft van de twintigste eeuw – tussen twee wereldoorlogen, tijdens een donkere crisistijd die Nederland in werkloosheid en armoe dompelde – had te maken met de vraag waarom het ‘rode’ Gelderse Zutphen, het ‘gereformeerde’ Groningse Winsum en het ‘katholieke’ Brabantse Helmond, op het gebied van het boek met elkaar waren verbonden.

De eerste aanleiding was een artikel van Paul Dijstelberge in UBA-Informatie van september 2001, het ‘personeelsblad’ van de Universiteitsbibliotheek Amsterdam. Daarin stelde hij de vraag, of er verband bestond tussen boekenhaat en katholicisme. Dijstelberge verbond aan zijn vraag twee onbewezen stellingen. De eerste was dat men ten zuiden van de grote rivieren, waar de ‘Ware Kerk’ het voor het zeggen had, een afkeer had van het geschrevene. De tweede stelling luidde dat ‘voorbij Tiel’ geen boek te koop was en dat literatuur in Helmond een onbekend fenomeen was.

De tweede aanleiding was een voordracht van Pien Pon voor de Rotary Club in Zutphen over de Stichting Kinderboek Cultuurbezit, waarvan de hoofdvestiging zich in Winsum bevond, met een filiaal in Zutphen. De Stichting, die in 1985 door Toos Saal was opgericht, werkte met vrijwilligers en zonder subsidie en had tot doel het verzamelen, bewaren en toegankelijk maken van het jeugdboek. In 2002 had de stichting, die aantoonde dat haar cultuurbezit ook van betekenis was voor de boekwetenschap, ruim 20.000 titels vergaard.

De derde gebeurtenis was de thematische expositie in 2002 die de Stichting in samenwerking met het Stedelijk Museum te Zutphen organiseerde. Zij ging over het fenomeen ‘kwartjesboeken’ die tussen 1932 en 1941 bij ‘Helmond’ zijn verschenen. De vitrines en muren in het Stedelijk Museum toonden enkele maanden, naast personalia en foto’s, een groot aantal titels van de auteurs die in een luttel tiental jaren 271 titels bijeenschreven.

Het waren drie aanleidingen die mij terugbrachten naar een bijna vergeten periode.

Drukken en uitgeven in Helmond

Omstreeks 1900 telde Helmond vier drukkerijen. Eén daarvan was Drukkerij Leloup die werd overgenomen door de firma Van Moorsel en Van den Boogaart. Een van de werknemers was Gerardus Johannes Hendriks. Hij kwam van Vlieland, had in Tilburg zijn ‘middelbare studies’ gedaan en hij trad in 1905 in dienst van de drukkerij. Zijn taak bestond uit journalistieke arbeid voor ‘De Zuid-Willemsvaart’ een krant die door Van Moorsel/Van den Boogaart werd uitgegeven, en waarin, naast het algemene en plaatselijke nieuws, ook maatschappelijke mistoestanden aan de orde werden gesteld. Het hoofdredacteurschap berustte 23 jaar bij de historicus en taalkundige Hendrik Nicolaas Ouwerling.

Naast zijn redactionele activiteiten moest Hendriks ook zorgen voor meer abonnees van het ‘Zondagsblad voor het Katholiek Huisgezin’, een blad dat werd geredigeerd door de paters Capucijnen. Zowel zijn journalistieke als organisatorische activiteiten waren succesvol. De drukkerij voorzag Oost-Brabant van populair-religieuze literatuur, waaronder missiebladen, kalenders, almanakken, periodiekjes, kerkboeken en schoolboekjes. Hendriks zelf schreef talloze artikelen, enkele feuilletons en zelfs een paar romans. Zowel De Zuid-Willemsvaart als het Zondagsblad maakten een voorspoedige tijd door. De Zuid werd de belangrijkste krant van de Peel, het Huisgezin groeide uit tot een belangrijk katholiek weekblad.

In 1913 werd het bedrijf, dat toen veertig werknemers telde, omgezet in een naamloze vennootschap onder de naam N.V. Boek- en Handelsdrukkerij ‘Helmond’. Hendriks werd directeur. Ook in die kwaliteit bleek dat hij zijn tijd verstond. Door de sterk toenemende bevolking, de expanderende industrie, de trek naar de stad waar arbeid te vinden was en waar het verenigingsleven bloeide, nam ook de vraag naar drukwerk toe. Drukkerij en uitgeverij maakten furore tijdens de twintiger jaren en het bedrijf groeide uit tot de grootste drukkerij/uitgeverij in Oost-Brabant.

De Nederlandse Jeugdbibliotheek

Toen echter in 1929, elf jaar na de Eerste Wereld Oorlog, de crisis uitbrak, raakten vele werknemers in de textielstad hun baan kwijt. Lonen werden verlaagd, een deel van de arbeiders moest van de ‘steun’ leven met negen gulden per week. De armoe trok een streep door het streven van geschoolde en langzamerhand mondig wordende arbeiders naar een beter bestaan en naar beter onderwijs voor hun kinderen. Ook in de grafische industrie kwam de klad.

Al waren typografen minder afhankelijk van de gevolgen van de crisis en stond hun vakbond voor hen op de bres, dat op de lonen werd beknibbeld en op personeel en kosten werd bezuinigd, was onontkoombaar. In die periode brak Hendriks zich het hoofd hoe hij zijn mensen aan het werk kon houden en zetmachines, drukpersen en bindapparatuur aan het draaien kon houden, en tegelijkertijd kon voorzien in mogelijk sluimerende behoeften van de markt.

Zijn belangrijkste vondst was ‘De Nederlandse Jeugdbibliotheek’, een fonds dat geïllustreerde boeken-met-avonturen voor jongens en meisjes zou gaan uitgeven. Boeken voor de arbeidersjeugd, boeken die een kwartje kostten. Zo goedkoop mogelijk gemaakt, maar toch voorzien van illustraties en van een geïllustreerd kartonnen omslag met een kleurtje. Boeken die genaaid gebrocheerd, maar ook gebonden verkrijgbaar moesten zijn. Boeken met een christelijke achtergrond, maar waarin niet de religie maar ‘Hollandse’ normen en waarden een rol speelden. Boeken die acceptabel waren voor katholieken, protestanten en andersdenkenden. Boeken waar de jeugd naar zou uitkijken, avontuurlijk, spannend, leerzaam ook, met een vleugje humor, waarin de hoofdrolspelers, jongens en meisjes van dezelfde leeftijd, jongeren waren ‘van stavast’ en ‘voor de duvel niet bang’. Het moesten ‘sellers’ worden die de zetmachines en drukpersen draaiend hielden.

Het idee van Hendriks bleek een schot in de roos. Het duurde niet lang of hij had een aantal schrijvers gevonden dat een grijpstuiver bij wilden verdienen met het schrijven van een jeugdverhaal. Voor vijf stuivers had men dan een compleet avonturenboek, terwijl de fraai gebonden boeken van R.K. Jongensweeshuis, Malmberg, Kluitman en andere uitgevers een daalder of meer kostten. Fraaie boeken, zeker, maar waarvan de prijs neerkwam op de weekhuur van een arbeidershuisje.

De boeken hadden, afhankelijk van het verhaal, een omvang van 112 tot 160 pagina’s. Zij werden uitgegeven in kwarto-formaat en gedrukt op krantenpapier. Voor de tekst werd een eenvoudig leesbare letter gekozen, een krantenletter. De tekst werd gezet op zetmachines. De loden regels werden in galeien naar de handzetterij gebracht, waar een drukproef werd getrokken. Na het aanbrengen van de correcties werden de pagina’s opgemaakt. De titelpagina en de koppen van de hoofdstukken werden met de hand uit smoutletters gezet. Waarna een opgemaakte proef opnieuw naar de corrector of de auteur ging. Daarna werden de pagina’s ingekooid waarna, afhankelijk van de oplage, gekozen werd voor het drukken op een cylinderhoogdrukpers of een krantenrotatiepers.

Op houthoudend courantdruk

Krantenpapier op een cylinderpers was lastig drukken. Het was dun, poreus en woog ca 48 gram per vierkante meter. Maar op een rotatiepers ging het sneller, al was dat voor kleine oplagen onvoordelig. Voor rotatiedruk moesten matrijzen worden gemaakt. Daartoe werd het zetsel in hittebestendig karton gepreegd waarmee door stypeurs ronde gietvormen werden gegoten. Die gietvormen werden vastgezet op de rotatiepers, waarna kon worden gedrukt. De pers was voorzien van een vouwapparaat met krantenslag.

Voor zover op een hoogdrukpers werd gedrukt, moesten de plano-vellen afzonderlijk worden gevouwen. De katerns werden, door zwarte meegedrukte collationeerblokjes op de rug van het gevouwen katern, in de goede volgorde vergaard en genaaid. Daarna werden de binnenwerken of de boekblokken in een voorgedrukt en gerild omslag gehangen en geplakt, waarna op een driesnijder stapeltjes boeken aan drie zijden werden schoongesneden. Daarmee was een boek gereed voor de verzending. Omdat de gemiddelde oplage tamelijk hoog was, werden de meeste kwartjesboeken gedrukt op de rotatiepers.

Naar huidige maatstaven zag het product er niet uit. De kopers/lezers van toen, weinig gewend als ze waren, hadden er geen moeite mee. Dat bleek uit de groei van het fonds. De Jeugdbibliotheek telde uiteindelijk 273 titels, 172 voor jongens, waaronder een tiental titels in de Menco Minkema-serie die op zichzelf stond, en 101 voor meisjes. Daarnaast verschenen 48 kleuterboeken in de Kinderbibliotheek en een reeks Romans voor allen, boeken voor volwassenen. Ze verschenen in een kleiner formaat, maar oogden hetzelfde als de kwartjesboeken: gedrukt op krantenpapier met een omslag in kleur. Onder de auteurs vond men ook schrijvers van kwartjesboeken.

Veel winst heeft de uitgeverij niet gemaakt. Van het kwartje bleef, ná aftrek van de boekhandelskorting, administratiekosten, overhead voor de uitgeverij, honorarium voor de auteur, voor de tekeningen en het omslag, de clichékosten, de verzendkosten, de intrest en dergelijke, ruim een dubbeltje over. Daarvan moest het papier en omslagkarton, het zetten, corrigeren, drukken en binden worden betaald. Als men niet al te nauw keek, lukte dat en was een deel van de vaste kosten van arbeid en apparatuur gedekt.

De formule bleek tien jaar lang ijzersterk totdat de Duitse bezetter roet in het eten gooide en in 1941 de Nederlandse Jeugdbibliotheek in de ban deed. Het wekte wel verwondering dat in het begin van de oorlog nog titels konden verschijnen als ‘Generaal van Heutz’, ‘De verovering van het Poolsche dorp’, ‘Michiel de Ruyter’, ‘Vluchtelingen’. Maar in 1941, het jaar waarin de bezetter toezicht, censuur en repressie straffer had georganiseerd, was het afgelopen. Het fonds werd verboden en voorraadrestanten verdwenen naar de zolder.

De auteurs

De reeks van 272 boeken is geschreven door 63 Nederlandse en 6 buitenlandse auteurs. Sommige auteurs schreven onder één of meer pseudoniemen. Meisjesboeken werden zowel door mannelijke als vrouwelijke auteurs geschreven. Aan de serie werkten bekende en onbekende auteurs mee. De jongste, T. Berjawit, pseudoniem van de Zutphenees Berend Jan Withuis – later lid van de CPN, bekend schaker en schaakjournalist en auteur van schaakboeken (1920-2009) – zat nog op de middelbare school toen hij zijn eerste kwartjesboek schreef. De oudste, Johan Wilgo, pseudoniem van Johann W. van der Heijden, was al rond de zestig toen hij zijn manuscript voor de Jeugdbibliotheek inleverde. Het is binnen het bestek dit artikel uiteraard niet mogelijk alle auteurs te noemen, zodat moet worden volstaan met een kleine parade van de belangrijkste onder hen.

In de catalogus van Hillechien Kuiper, die ter gelegenheid van de expositie in Zutphen verscheen, is een complete fondslijst van de Jeugdbibliotheek opgenomen, gerangschikt naar het jaar van uitgave. Daarin valt meteen de naam op van veelschrijver Hans de la Rive Box (1906-1985). Hij zou niet alleen de auteur worden van zestig jeugdboeken, maar zou daarnaast voor De Telegraaf en de Haagsche Post ca. achthonderd verhalen en schetsen schrijven. Onder de naam van zijn vrouw, Nellie Wesseling, leverde hij vijf meisjesboeken af. Al tijdens zijn hbs-tijd schreef hij voor ‘galante’ bladen als Astra en Nova. Meerdere titels van hem werden herdrukt. Sommige boeken werden geïllustreerd door zijn broer Rob de la Rive Box, die later werkzaam was bij de radio-omroep en een verdienstelijk haiku-schrijver werd.

Guus Betlem (1905-1977) (Frederik August Betlem) schreef onder eigen naam, maar ook onder de pseudoniemen Guus van Balkom en Betty van Sandvoort. Hij was dichter, journalist en publicist, auteur van een aantal jongens- en meisjesboeken en enkele toneelspelen. De befaamde dichter Bert Voeten (1918-1992) schreef onder verschillende noms de plume: B. van Beenen, Hans van den Bosch en Leo H. van der Mark. Voeten trouwde in 1945 met Marga Minco. In 1950 werd hij redacteur van De Gids. Hij was een excellent vertaler, maar kreeg het moeilijk toen Adriaan Venema hem attaqueerde op zijn rol tijdens de Tweede Wereldoorlog toen hij correspondent voor de Kultuurkamer was. Hij was niet de enige kwartjesboekenschrijver die daarvan lid werd, maar dat het ook kon verkeren, bleek bij een andere veelschrijver die door de jeugd zeer werd gewaardeerd. Dat was Nor Heerkens (1906-1991). Hij was auteur van zestien kwartjesboeken, van enkele streekromans en ook werkzaam als redacteur van het dagblad De Morgen en het weekblad De Nieuwe Eeuw, uitgaven die door ‘Helmond’ werden gedrukt en uitgegeven. Tijdens de bezetting werkte hij voor het illegale weekblad De Uitkijk waarvan hij ná de oorlog meer dan vijfentwintig jaar redacteur zou blijven.

Het werk van Hans Pennarts (1903-1976), wiens vader paukenist was bij het Concertgebouworkest, gaf blijk van grote muzikale interesse en een goede weergave van taalvarianten en dialecten. Hij schreef verhalen, feuilletons, een roman en was auteur van zesentwintig kwartjesboeken. Hij schreef ook onder het pseudoniem Jan Slonecznik. Tijdens de oorlog voorzag hij in zijn levensonderhoud door een antiquariaat van een ondergedoken joodse vriend gaande te houden. Hij schreef drie kwartjesboeken met een uitgesproken anti-oorlogsstrekking. Na de oorlog werd hij onder meer redacteur van het Rotterdams Nieuwsblad en specialiseerde hij zich in luchtvaartjournalistiek. Onder de naam Alex Tersoest schreef hij nog drie jeugdboeken voor Uitgeverij Helmond.

Johannes Blinxma (1912?-1970) was werkzaam onder het pseudoniem Max van Amstel. De Blinxma’s vormden een schrijversfamilie. Zijn zus was getrouwd met de kwartjesboekenschrijver Hans van den Aardweg, zijn broer had al gedebuteerd. Johannes bleek een goed verhalenschrijver. Hij publiceerde onder andere in De Telegraaf, de Radiogids, het Vara-Kinderblad en Elseviers Weekblad.

Karel Janson (1905-1981) en zijn vrouw Ans Hilkema (geb. 1909) kwamen beiden uit families met een schijftraditie. Karel was tekenleraar, zijn vrouw lerares. Karel tekende voor Panorama en De Katholieke Illustratie. Voor het dagblad De Nieuwe Dag verzorgde hij wekelijks een rubriek over historische onderwerpen. Samen schreven zij elf kwartjesboeken onder de pseudoniemen Ans Hillen, Hans Terwynne, Hans de Rovere en Tonny Frank. Janson vertaalde romans die verschenen in de Speciaal-serie van Uitgeverij Helmond.

Het echtpaar was inventief en stond ook aan de wieg van Onze Krant, een blad voor opgroeiende kinderen dat een ontijdig einde vond. Toen in 1942 het lidmaatschap van de Kultuurkamer verplicht werd, hield hij op met schrijven. Hij studeerde klassieke talen en ging na de oorlog les geven. Ook zijn vrouw kwam weer in het onderwijs terecht. In 1956 ontwierp Janson een nieuwe kunsttaal Picto die uit 350 pictogrammen, woordbeelden, bestond. Het waren ‘wegwijzers’, bedoeld om in gebouwen en openbare ruimtes het contact te vergemakkelijken.

Illustratief voor de gang van zaken rond het honorarium voor een auteur van een kwartjesboek is de anekdote van André Rutten (1914-2008). Hij schreef twee kwartjesboeken en kocht voor het honorarium een schrijfmachine die ƒ 10.- kostte. Rutten werd later onder meer medewerker van De Tijd, specialiseerde zich op het gebied van toneel, werkte bij het dagblad bij Trouw en maakte deel uit van de redactie van Toneel/Teatraal.

Om de rij niet te lang te maken was daar nog Piet van der Zanden (1907-1983), een schrijver die verknocht was aan de Peel. Hij was tussen 1936 en 1972 hoofdredacteur van Peelbelang, een regionale krant die werd uitgegeven door Schriks’ Drukkerij/Uitgeverij te Asten. Van der Zanden schreef negen kwartjesboeken.

Niet alle auteurs waren werkzaam in de journalistiek of de letteren. Onder hen bevonden zich ook onderwijzers-met-hoofdakte, hetgeen niet ongewoon was. Zij hadden een goede opleiding genoten en beheersten het Nederlands uitstekend. Het waren ‘kleine academici’ die zich naast hun werk wijdden aan de schrijverij. Een relatief groot aantal kwam uit Brabant en het Gooi.

Behalve avontuur en spanning was ook informatie een kenmerk van de Jeugdbibliotheek. Met name de boeken van Nor Heerkens waren daarvan een voorbeeld. Verhalen over de Spaanse burgeroorlog, over Polen, de overwintering op Nova Zembla, Duitse spionage, vluchtelingen, tegen de oorlog, enzovoort. Opmerkelijk was dat de meer informatieve titels alleen verschenen in de serie jongensboeken. Bij de meisjesboeken waren de geliefde thema’s prinsessen, assepoester-varianten, bakvissen, vriendinnen, vakantie, schilderen, (kost)school, studeren, huishouding, met daartussen twee titels over de lotgevallen van een ‘negertweeling’.

Illustrators

Elk boek was op een of andere wijze geïllustreerd. Soms door familieleden van de auteur, soms door professionele illustrators, zoals Gerrit de Morée, L. de Swart, Tijs van Dorenbosch, Frans Mandos die ook auteur was, Ko Koster en Piet Broos, die voor Uitgeverij Helmond veel (serie)werken heeft voorzien van passende afbeeldingen. Een schrijver die zijn eigen werk illustreerde was niet zeldzaam. Een illustrator die ook boeken schreef kwam minder vaak voor. Daar waren Frans Mandos en Piet Broos uitzonderingen op.

Honorarium

Was de Jeugdbibliotheek voor de uitgever al geen vetpot, voor de auteur was het dat evenmin. De uitgever kocht met een eenmalig honorarium ook de auteursrechten af voor eventuele herdrukken. Tenzij de uitgever over zijn hart streek, kon een auteur die een succesboek had geschreven pas bij een nieuw manuscript zijn verworven goodwill verzilveren.

Over de betaalde honoraria is nauwelijks iets bekend. Een jonge onbekende auteur kreeg in de jaren dertig doorgaans een tientje en enkele present-exemplaren. Hij mocht al blij zijn dat zijn boek werd gedrukt en hij was dat meestal ook omdat gedrukte publicaties zijn verdere loopbaan gunstig konden beïnvloeden.

Een bekende, goed verkopende auteur mocht rekenen op een hoger bedrag, maar een honderdje zal zelden zijn voorgekomen, misschien als het ging om meerdere titels of als er zoveel werden verkocht dat de uitgever zich verplicht voelde om de auteur nog een aanvullend honorarium te betalen. Het honorarium mocht calculatorisch hooguit 5% van de prijs uitmaken. Eén-en-een-kwart cent per boek dus. Maar het afrekenen naar het aantal verkochte exemplaren vroeg teveel administratie. Bovendien moest de auteur dan te lang op zijn karig aandeel wachten. Er werd contant afgerekend en alleen door snel te schrijven zat er nog wat brood in. Het eerste deel van de Jeugdbibliotheek werd door de auteur binnen tien dagen geschreven. Twee weken voor een manuscript of een maandje pennen in de avonduren was niet ongewoon.

Lezers

Kwartjesboeken werden gelezen door de hoogste klassers van de lagere jongens- en meisjesscholen, door ulo/mulo leerlingen, door hbs’ers, leerlingen van ambachtsscholen en huishoudscholen. Je leende ze bij de bibliotheek, je ruilde en leende van elkaar.

Zonder twijfel hebben ook heel wat ouders in de avonduren de jongens- en meisjesboeken van hun leeslievend grut gelezen. Je kreeg een kwartjesboek met Sinterklaas of met je verjaardag. Meer cadeaufeesten waren er niet. Nou ja, er was er nog één; bij de plechtige hernieuwing van de doopbeloften kreeg de communicant ook een boek, welteverstaan een kerkboek. In Brabant ging het bij de jeugd minder om de uitlating: ‘ik heb al een boek’, dan om ‘ik heb al een kerkboek’. Eén was voldoende.

In het algemeen werd niet zuinig met een kwartjesboek omgesprongen. Het kwetsbare krantenpapier kon niet veel hebben, het verkleurde snel, vocht was funest en de uitvoering noodde niet direct tot bewaren. Veel kwartjesboeken – ze werden ook Zuidboeken genoemd omdat ze steevast in het dagblad De Zuid-Willemsvaart werden aangeprezen en Drukkerij Helmond in de wandeling ‘De Zuid’ werd genoemd – hebben de tand des tijds niet doorstaan, uitgezonderd exemplaren die nog antiquarisch te krijgen zijn of de collectie van de Stichting ’t Oude Kinderboek en de exemplaren die particulieren als een verzamelaar zoals Eef Nulde te Zutphen zuinig hebben bewaard.

Verspreiding

De boeken werden over het gehele land verspreid. In de eerste plaats in Noord-Brabant, Limburg en Vlaanderen, waar ‘Helmond’ een eigen distributieadres had; in het Gooi en in het algemeen in de streken die in de kwartjesboeken werden beschreven. Sommige boeken kregen nationale bekendheid. Dat gold bijvoorbeeld voor Met de Uiver naar Melbourne (1934) van Nor Heerkens, waarvan meer dan vijftigduizend exemplaren werden verkocht.

Omdat de Jeugdbibliotheek geen religieus stempel droeg, werden kwartjesboeken ook gelezen door hervormde en gereformeerde lezers en in huisgezinnen waar men socialistische, liberale of vrijzinnige beginselen was toegedaan. Door de vestigingsplaats van de uitgeverij en de boekhandels waarmee de uitgeverij voor andere uitgaven zaken deed, kwamen de meeste kwartjesboeken terecht bij katholieke lezers.

Bij elkaar ging het om een afzet van 1,2 miljoen boeken. Bij de toenmalige bevolking van Nederland van zeven miljoen zielen was dat niet gering.

Op- en ondergang

Na de oorlog probeerde de drukkerij/uitgeverij de draad weer op te pakken. Er verscheen nog een tiental titels met daarnaast enkele herdrukken op een ander formaat. Papier en inkt waren schaars, de boekhandel fungeerde nog niet naar behoren, een aantal schrijvers woonde benoorden de rivieren en zuchtten nog onder de Duitse bezetting. Na 1945 werd de prijs van het eerdere kwartjesboek in een betere uitvoering al gauw ƒ 1,50, resp. ƒ 1,90 voor een gebonden uitgave. Daarvoor moest een geschoolde arbeider vier tot vijf uur werken. De markt haakte af. In 1951 was het definitief afgelopen.

Een nieuwe directie had intussen het roer overgenomen. Hendriks ging met pensioen, mede gedwongen door het feit dat De Zuid-Willemsvaart tijdens de oorlog deutsch-freundlich was geweest. Weer had hij, zoals in 1929, geprobeerd om zijn mensen aan het werk te houden en zijn machines bezet. Het was dezelfde man die ook boeken had uitgegeven die door de bezetter werden verboden. De naam van de krant veranderde in Helmondse Courant, de uitgeverij kreeg een ander, serieuzer karakter.

De opvolger van Hendriks was H.F.A.M. van der Grinten die, na zijn universitaire studie, bij Schriks’ Drukkerij in Asten was opgeleid voor het grafisch vak en als redacteur fungeerde. Onder zijn leiding maakte het Helmondse bedrijf een bloeiperiode door die in 1946 begon en rond 1970 eindigde.

Naast grote portefeuilles industrieel, reclame en handelsdrukwerk, kranten en tijdschriften, wetenschappelijk, populair-wetenschappelijk werk en series schoolboeken werden ook weer nieuwe jeugdseries uitgegeven, waaran J.D. Degreef, Sandor Kis en Frans van den Dungen de belangrijkste auteurs waren. Ondertussen keerde het tij in de grafische industrie en te laat zagen werkgevers, vakbonden en ook de grafici zelf dat zij achter de ontwikkelingen aanliepen.

Het eens zo bloeiende bedrijf, dat voorheen gekenmerkt werd door creativiteit, ondernemerschap, enthousiaste medewerkers en een informele hiërarchie, was door onmacht veranderd in een tamelijk autoritair geregeerde onderneming. In 1982 viel het doek. De klap kwam in Helmond en omgeving hard aan. In 1983 werd het faillissement uitgesproken. Het personeel werd ontslagen, machines en apparatuur werden geveild.

Helmondse Jeugdbibliotheek onbekend in de boekwetenschap

In de vakliteratuur treft men weinig aan over de Jeugdbibliotheek van ‘Helmond’, al heeft menig auteur van een kwartjesboek landelijke befaamdheid gekregen en in de literatuur zijn sporen verdiend. Dat heeft, behalve met de teloorgang van de archieven van N.V. Boek- en Handelsdrukkerij ‘Helmond’ en Uitgeverij ‘Helmond’, ook te maken met de matige kwaliteit waardoor jeugdboeken werden beschouwd als van een tweede garnituur. Dat een groot aantal het etiket triviaal meekreeg was begrijpelijk vanuit de ivoren toren van literatuurcritici, want van kunst met een grote K was geen sprake. Bovendien lag Helmond in een uithoek waar boekhistorici zich weinig lieten zien.

Toch kan wellicht aan de hand van mondelinge overleveringen, bewaarde archieven van bibliotheken, boekhandels, grossiers en particulieren nog eens nagegaan worden wat voor invloed de uitgeverij heeft gehad op Oost-Brabant en op de lezers van haar boeken en periodieken.

Dat de auteur van deze bijdrage, die van juni 1946 tot 1958 bij ‘Helmond’ in een aantal functies werkzaam is geweest, een van de weinige ‘nabestaanden’ is stemt hem droef. Het was daarom te prijzen dat de Stichting ’t Oude Kinderboek en het Stedelijk Museum te Zutphen in 2002 een deel van het Helmonds geheugen in een expositie hebben teruggehaald en gevisualiseerd. Met erkentelijkheid wordt aan het slot van dit artikel dan ook aan de schatplicht voldaan door vermelding van de bronnen die de stof hebben geleverd voor dit artikel.

Afkeer van het geschrevene

Refererend aan een van de redenen die tot dit artikel aanleiding hebben gegeven, mag het duidelijk zijn dat het met de afkeer van het geschrevene in het Zuiden wel meeviel. Beschouwt men de biografieën van de auteurs en de uitgever, de animo voor lezen bij de jeugd, de oplagen van de Jeugdbibliotheek, de belangstelling voor uitleenbibliotheken, zowel voor particuliere als voor ‘openbare leeszalen’, de voorliefde voor streekromans en voor het werk van Antoon Coolen, A. J. Cronin, Anton van Duinkerken, Toon Kortooms, Den Doolaard, Frans Babylon en vele anderen, dan valt die belangstelling wel mee. Om niet te vergeten de christelijke reeksen zoals die bijvoorbeeld door Callenbach in Nijkerk werden uitgegeven, want ‘Bartje’ zocht ook het geluk in Brabant. Terwijl in menig ontwikkeld arbeidersgezin ook boeken van de Wereldbibliotheek werden gelezen.

Kijkt men naar De Volkskrant, De Tijd, De Maasbode, De Nieuwe Eeuw, De Linie, De Nieuwe Film, Het Katholieke Schoolblad of naar de latere populair-wetenschappelijke boekenreeks van ‘Helmond’ met een filosofisch-antropologische inslag, naar de oorspronkelijke of vertaalde romans, naar de jeugdseries, de schoolboeken, de jeugdbijbels, de etiquette-boekjes, zij droegen alle bij tot een leesklimaat dat voor (Oost-)Brabant nog eens in kaart moet worden gebracht.

Dat er op het gebied van de boekencultuur en boekwetenschap nog enig zendings- of missiewerk kan worden verricht, zal de zuiderling wel willen toegeven. Echter, degene die beweert dat in Helmond geen literatuur te krijgen was, heeft geen weet van wat daar is gedrukt en uitgegeven. Draagt geen kennis van de boekhandels van Jan de Reijdt en zijn opvolgers, Verhagen de Reijdt, De Reijdt-Simons en de jongere boekhandels. Weet niet dat er een jaarlijkse literatuurprijs en een jong talentprijs wordt toegekend of dat het Literair Café van Helmond met 550 leden de grootste van het land is. Alwaar in de aula van het Knippenberg College maandelijks bijeenkomsten worden gehouden, die bezocht worden door enkele honderden geïnteresseerde mensen met lezingen van Rosita Steenbeek, Jessica Durlacher, Herman Koch, Leon de Winter, Mensje van Keulen, Tom Lanoye en voorts van vele streekgebonden schrijvers.

Een anekdote tot slot

Door de expositie in Zutphen in 2002 kwam een anekdote boven drijven uit dat bijna vergeten verleden. Een voorval dat te maken had met de Jeugdbibibliotheek. In juni 1946 trad ik op veertienjarige leeftijd in dienst van het Helmondse bedrijf, als nummer 97 op de loonlijst. Met een weekloon van ƒ 8.-. Bruto! Na een aantal jongste bediende-karweitjes riep iemand dat het archief wel eens opgeruimd mocht worden.

De panden, waarin zich de kantoren en redacties van de drukkerij en uitgeverij bevonden, waren herenhuizen met een zekere allure. Huizen met kelders en grote zolders. Ik ging 45 treden op, zag de zolder, moest halsoverkop naar de wc en kloste daarna opnieuw de trappen op. Ik sloop rond tussen de hanebalken. Door de dakramen viel weinig licht. Er was maar één pit die brandde.

Wat viel er op te ruimen? Het was er stoffig, maar rommel lag er niet. Ik snuffelde een poosje in de leggers van ingebonden kranten, in archiefexemplaren van uitgegeven boeken, in grootboeken en memoriaals waarin de financiën waren beschreven. Ik keek in dozen met personeelsmappen waarin brieven zaten met loon- en salaristoezeggingen. Ik ontdekte een wereld waarin een mens zich maanden niet zou vervelen.

Maar er moest ‘opgeruimd’ worden. Ik kroop van de ene zolder naar de andere, ontdekte deurtjes waarachter de vroegere dienstbodenkamertjes schuilgingen. Ik ging naar Jan de timmerman en vroeg om een klauwhamer. Het kostte moeite om de spijkers uit de deuren te halen, maar het was een moeite die loonde. Achter die deurtjes vond ik stapels boeken. Langs de muren opgetast tot aan de zoldertjes. Jeugdboeken uit de Jeugdbibliotheek. Kwartjesboeken! Waarvan ik er tientallen had gelezen.

Ik moest weer naar de wc, hetgeen hilariteit veroorzaakte bij het kantoorpersoneel dat ik moest passeren. Ik riep dat ik wel duizend boeken had gevonden. Ik ging naar mijn baas en vertelde. Hij keek ongelovig en vroeg of iemand ervan wist. Nee dus, op die zolder kwam bijna niemand. De hiërarchie trad in werking. Mijn chef, mijnheer Slaats, ging naar mijnheer Roos. Die ging naar een meneer-met-alleen-een-voornaam, mijnheer Jan. Die ging naar een 'mijnheer' zonder meer, dat was zijn vader, mijnheer Hendriks. Of hij van die boeken wist? Nee, hij wist van niets, nou ja, het moesten restanten zijn van titels die na 1941 verboden waren. Maar het was mooi, want er was nog nauwelijks een boek te krijgen.

Mijnheer Hendriks zei: ‘jongeman, ga ze tellen en maak een lijstje’. Ik werd even ‘hoofd oud-fonds’ en was enkele dagen bezig met mijn lijstje. Ik kreeg een hulpje dat een kop groter en flinker was. We inventariseerden, sjouwden tientallen keren per dag van boven naar beneden en daar stonden ze: de Zuidboeken, de kwartjesboeken van Jan Slonecznik (pseudoniem van Hans Pennarts), J.H. van der Heijden (pseudoniem van Frans Meijer), Hans Wouterlood, H.P. van der Aardweg, Egbert Puiter (pseudoniem van Willem Egbert Froger), Hans de la Rive Box, Nor Heerkens, Theo Franssen en anderen. Soms in een klein aantal, soms een paar honderd of meer.

Trots toonde ik mijn chef het lijstje. Enkele duizenden exemplaren, gespecificeerd naar een paar dozijn titels die gingen over koningin Wilhelmina, over Londen en New York, over Polen en de oorlog, over vluchtelingen. De chef stapte naar mijnheer Hendriks en die vond dat ik ze maar moest verkopen. Mijn baas zei: ‘hij moet nog vijftien worden’. Ik sputterde en zei dat ik ook al zaad- en pootgoed had verkocht. Mijnheer Hendriks bromde dat het een mooie leeftijd was om te leren. Ik mocht een aantal boekhandels bezoeken in de buurt: in Helmond, Eindhoven, Deurne, Geldrop. De boekhandelaren schoten in de lach als ik de boeken aanprees en erbij vertelde dat ik ze had gelezen. Ze kochten grif in.

Er ging een rondzendbriefje uit naar verder gelegen boekhandels, die ook exemplaren bestelden. Binnen enkele weken waren de stapels weg en lagen de kwartjesboeken in de etalages, maar nu voor vijfendertig cent. De boekverkopers hadden wel gesputterd, het waren tenslotte kwartjesboeken, maar ik zei dat ze aan vijfendertig cent meer verdienden dan aan een kwartje. Toen de voorraad opraakte, wilde men wel twee kwartjes en meer betalen. Ik maakte een overzicht van de opbrengst en bracht mijn baas voorzichtig onder ogen dat ik mijn jaarsalaris al ruimschoots had terugverdiend. Een schop onder mijn gat kon ik krijgen.

Bronnen.

Met dank aan J.A.F. (Joop) Bekkers +, Eef Nulden, Hein Leenen +, Hillechien Kuiper, Pien Pon, Christiaan te Strake en Giel van Hooff.

De Stichting ’t Oude Kinderboek, daarvoor de Stichting Kinderboek Cultuurbezit, bevindt zich thans in Deventer, maar zal ook daar weer op korte termijn verdwijnen.

Eef Nulden is redacteur van het STOKpaardje, rondzendbrief van de Stichting Geschiedenis Kinder- en Jeugdlectuur.

Eef Nulden, Kwartjesboeken, wie kent ze nog? in: De Bornkrant, juli 2004.

Eef Nulden, Goedkope kwaliteit in de crisistijd, in: STOKpaardje, 2011, jrg. 7, nr. 1,

Giel van Hooff en Peter de Hoop, (red.), Werkend Verleden in Helmond, J. de Reijdt en zijn opvolgers, twee eeuwen boekhandelaars en drukkers in de regio, Helmond 2001.

Joop Bekkers, ‘Hans Pennarts (1903-1976)’, in Boekenpost, maart/april 2000.

Joop Bekkers, ‘Kwartjesboeken’, in Lexicon Jeugdliteratuur, juni 2000.

Joop Bekkers, ‘Het verschijnsel kwartjesboeken, een (r)evaluatie’, in Boekenpost, juli/augustus, 2000.

Nannie Blinxma, ‘Johannes Blinxma, alias Max van Amstel, 1912-1970’, in Boekenpost, juli/augustus, 1999.

M.J.A. van der Heide, ‘Hans de la Rive Box (1906/1985), kwartjesboekenschrijver’, Boekenpost, mei/juni 1996.

M.J.A. van der Heide, ‘Hans de la Rive Box, Gooi’s veelschrijver’, in Tussen Vecht en Eem, nr. 3, 1995.

J. van der Heijden, (m.m.v. Gabriël van Neerven), ‘Opkomst en ondergang van Drukkerij en

Uitgeverij Helmond’ in Helmonds Heem, uitgave Heemkundekring Helmond, nr. 3, september 1990.

André Rutten, ‘Curriculum Vitae, Twee planken en een hartstocht, het ruimte geworden podium’, publicatie van de Schouwburg te Tilburg, 1986.

Chris Schriks, Nondeju, kleine roman over de periode 1938-1946, Amsterdam 1986.

Jo, Wim en Pierre Schriks, 90 jaren Schriks Drukkerij 1907-1997, Asten, 1997.

Voorts zijn gegevens ontleend aan het Archief Walburg Instituut, Zutphen; aan Eef Nulden te Zutphen; Joop Bekkers te Druten, aan niet gepubliceerde overzichten en herinneringen van Hein Leenen te Zutphen en aan Bert Hendriks (kleinzoon van uitgever G. Hendriks) te Helmond, die de uitgeverij van zijn grootvader op andere voet voortzette.

Foto gebouw ‘Helmond’: Collectie Gemeentelijke Archiefdienst, Helmond. Foto Th. van Mierlo.